Economische groei staat op gespannen voet met de mensenrechten |
REGIONAAL OVERZICHT – AZIË EN OCEANIË
Uit het Jaarboek 2008
Een terugblik op 2007 - economische groei, globalisering en armoede
Gewapend conflict en politieke onderdrukking
Doodstraf
Geweld tegen vrouwen
Mensenrechten vooruit helpen
De Universele Verklaring - zestig jaar later
Veel van de landen in de regio Azië en Oceanië die in 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) goedkeurden, waaronder India en Birma (Myanmar) waren kort daarvóór onafhankelijk geworden na onder koloniaal bewind te hebben gestaan. Voor hen was een streven naar een wereld waar iedereen “vrij en gelijk in waardigheid en rechten” is van bijzonder groot belang.
Ook voor de burgers van de vele landen in Azië/Oceanië die zich later aansloten bij de Verenigde Naties, van Laos tot Indonesië, van Cambodja tot Fiji, was “vrijwaring van vrees en gebrek” een diep gekoesterde wens.
Op het eerste gezicht leek het streven naar “vrijwaring van gebrek” geholpen te worden door het feit dat Azië zich in sneltreinvaart ontwikkelde tot een economische grootmacht. Ondanks verschillen tussen nationale economieën in de regio is de welvaart in Azië als geheel sinds 1960 sneller gestegen dan in enig andere regio ter wereld. Azië omvat de twee dichtstbevolkte landen ter wereld – China met 1,3 miljard inwoners en India met 1,1 miljard. Wereldwijd behoren de economieën van deze twee landen tot de snelst groeiende. Niet alle burgers profiteren daar echter van. De groei gaat gepaard met een breder wordende kloof tussen arm en rijk, hetgeen diepgewortelde patronen van discriminatie accentueert.
Azië heeft zijn economische expansiedrift vooralsnog niet weten te koppelen aan meer economische, sociale en culturele rechten voor de armen.
Aanhoudende conflicten en het toenemende geweld door gewapende groeperingen leiden tot ernstige schendingen in heel Azië en brengen de veiligheid van miljoenen mensen in gevaar. Er is nog geen duurzame oplossing gevonden voor vluchtelingenpopulaties, en honderdduizenden mensen blijven in eigen land ontheemd door conflicten. Ondertussen kunnen veiligheidstroepen in veel landen onder het mom van de “nationale veiligheid” al decennialang ongestraft mensenrechtenschendingen begaan, waaronder buitengerechtelijke executies, gedwongen verdwijningen, marteling en mishandeling. Door politieke onrust en militaire machtsgrepen – vaak via het afkondigen van de noodtoestand – zijn instellingen die van cruciaal belang zijn voor het beschermen van de mensenrechten in verscheidene landen buitenspel gezet, of is de hervorming ervan op de lange baan geschoven.
In dit jubileumjaar van de UVRM hebben slachtoffers van mensenrechtenschendingen in veel landen nog altijd niet de beschikking over een daadwerkelijk rechtsmiddel.
Zelfs waar rechtssystemen stevig verankerd zijn en fundamentele rechten verankerd in grondwetten, worden bescherming en handhaving vaak verwaarloosd uit politiek opportunisme. Landen in Azië/Oceanië die de belangrijkste VN-mensenrechtenverdragen hebben geratificeerd weigeren facultatieve protocollen aan te nemen die voorzien in internationale mechanismen van rechtspleging waar mensen verhaal kunnen halen. Nationale mensenrechteninstanties zijn inmiddels in dertien landen opgericht, maar hun onafhankelijkheid en doeltreffendheid is in de afgelopen jaren in veel landen zwaar op de proef gesteld.
Azië blijft het enige continent ter wereld dat geen overkoepelend mensenrechteninstrument heeft. Bij het veertigjarige bestaan van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Landen (ASEAN) in november 2007 ondertekenden de leiders van de tien ASEAN-lidstaten – Indonesië, Maleisië, Filipijnen, Singapore, Thailand, Brunei, Vietnam, Laos, Cambodja en Myanmar – hun eerste formele handvest, dat onder meer voorzag in een mensenrechtenorgaan voor de sub-regio. Het Pacific Islands Forum buigt zich nu over soortgelijke mechanismen in het kader van initiatieven om de integratie en samenwerking in Oceanië te bevorderen.
In 2007 werd ook het nieuwe mensenrechtenorgaan van de Verenigde Naties een feit, de Mensenrechtenraad, waarvan Bangladesh, China, India, Indonesië, Japan, Maleisië, Pakistan, de Filipijnen, Zuid-Korea en Sri Lanka momenteel deel uitmaken. Elke lidstaat heeft toegezegd de mensenrechten te zullen eerbiedigen, samen te werken met VN-mensenrechtenmechanismen, sterke nationale mensenrechtenkaders op te zetten en te onderhouden en internationale verdragen te ratificeren en na te leven. De tijd zal leren of nieuwe mechanismen van de Mensenrechtenraad, met name het systeem van universele periodieke toetsing, streng internationaal toezicht en kordaat optreden zullen vergemakkelijken wanneer leden dergelijke verplichtingen niet nakomen, en of ze echt van invloed zullen zijn op het dagelijks leven van mensen in de regio Azië/Oceanië.
Een terugblik op 2007 - economische groei, globalisering en armoede
Het jaar 2007 stond in de regio Azië/Oceanië in het teken van onstuimige economische groei. Ondanks de rooskleurige cijfers stond deze groei op gespannen voet met de mensenrechten. De kloof tussen arm en rijk in de regio werd steeds breder. De welvaart was ongelijk verdeeld en onevenredig geconcentreerd onder geschoolde arbeidskrachten en stedelingen.
De Chinese economie groeide met 11,4 procent, het hoogste groeipercentage sinds 1994. De groei ging echter gepaard met sociale spanningen en toenemende verarming in sommige plattelandsgemeenschappen, maar ook aantasting van het milieu.
Verbale protesten van boeren tegen gedwongen huisuitzettingen door de autoriteiten om plaats te maken voor ontwikkelingsprojecten, onder meer met het oog op de Olympische Spelen in 2008, haalden weinig uit. In India leidde de economische hausse ertoe dat de driehonderd miljoen toch al arme en kwetsbare mensen nog verder achtergesteld werden. Zakelijke belangen, in veel gevallen van multinationals, wogen zwaarder dan de behoeften van de armen, en door de uitbuiting van natuurlijke hulpbronnen raakten tienduizenden mensen dakloos, zonder dat ze uitzicht hadden op terugkeer of schadevergoeding. In Cambodja werden duizenden mensen uit hun huizen gezet bij landonteigeningen door de autoriteiten.
Migratie, binnen landen en grensoverschrijdend, droeg in hoge mate bij aan de bloei van de regionale economie, maar in elk land werd het gezien als een ongewenste en onooglijke ontwikkeling. Met name illegale migranten (zonder een wettelijke vergunning om in een land te verblijven) stonden bloot aan discriminatie, geweld en mishandeling.
In Maleisië werden ruim twintigduizend migranten gedetineerd door Rela, het Volksvrijwilligerskorps dat door de regering was opgericht om het “probleem” van “illegale” immigratie aan te pakken. Rela viel herhaaldelijk plaatsen aan waar rondtrekkende arbeiders, vluchtelingen en asielzoekers woonden. In veel gevallen werden mensen zwaar gemolesteerd en willekeurig gedetineerd. Sommigen werden naar detentiekampen voor immigranten gebracht waar ze het gevaar liepen onder dwang teruggestuurd te worden naar landen waar hen mogelijk marteling of andere vormen van mishandeling te wachten stonden.
Niet alleen hing migranten voortdurend detentie door de autoriteiten boven het hoofd, ook werden ze lichamelijk en geestelijk mishandeld door hun werkgevers en kwamen ze vaak niet in aanmerking voor dezelfde voorzieningen en verzekeringen waar lokale arbeiders wél recht op hadden.
In 2007 verbleven er circa 500.000 migranten in Zuid-Korea, van wie ongeveer de helft illegale, rondtrekkende arbeiders waren. Velen werden ernstig beperkt in hun arbeidsmobiliteit; ook stonden hen weinig of geen rechtsmiddelen ter beschikking om schadevergoeding te krijgen voor discriminerende behandeling of andere misstanden op de werkplek.
Gewapend conflict en politieke onderdrukking
De regio speelde een voorname rol in de wereldwijde, door de VS geleide “oorlog tegen terrorisme”, die van invloed was op binnenlandse en regionale gewapende conflicten, rivaliteiten en machtsstrijden. Jarenlange gevechten tussen regeringstroepen en gewapende groeperingen in Afghanistan en Pakistan eisten talloze burgerslachtoffers en leidden tot een verslechtering van de mensenrechtensituatie. Deze conflicten hebben een grote geopolitieke impact doordat de Afghaanse staat gesteund wordt door internationale troepen en de NAVO, en de internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten Pakistan onder druk blijft zetten om zich nadrukkelijker te laten gelden in de “oorlog tegen terrorisme”.
In Afghanistan braken nieuwe gevechten uit tussen afvallige groeperingen en de internationaal gesteunde Afghaanse regeringstroepen. Ten minste 6500 mensen kwamen om het leven bij het geweld, onder wie maar liefst ruim vierduizend burgers. Alle partijen bij het conflict maakten zich schuldig aan mensenrechtenschendingen. Gewapende groeperingen, waaronder de Taliban, hadden het opzettelijk gemunt op burgers, waarbij ze vermeende handlangers van de Afghaanse regering of de internationale troepenmacht om het leven brachten. Op hun beurt doodden de internationale troepen honderden burgers bij offensieven en luchtbombardementen. Ook Afghaanse veiligheidstroepen waren direct of indirect verantwoordelijk voor de dood van talloze burgers.
Een toch al verzwakt Pakistan dat zich graag opwerpt als een bondgenoot in de “oorlog tegen terrorisme”, belandde in november in een politieke crisis toen generaal Pervez Musharraf de noodtoestand afkondigde en de Pakistaanse Grondwet tijdelijk buiten werking stelde. Hij deed dit nadat het Opperste Gerechtshof zijn kandidatuur voor de presidentsverkiezingen ongeldig had verklaard, omdat hij tevens opperbevelhebber van het leger was. Circa vijftig opperrechters werden uit hun functie ontheven. Bij de polemiek die daarover ontstond werden de vrijheid van meningsuiting en van beweging ernstig beperkt, onder meer door de willekeurige detentie van duizenden advocaten, journalisten en mensenrechtenactivisten. De verkiezingen stonden gepland voor januari 2008 en eind 2007 keerden de ex-premiers Benazir Bhutto en Nawaz Sharif terug uit ballingschap om zich kandidaat te stellen. Vanaf het begin werd het proces geteisterd door geweld, uitmondend in de moord op Benazir Bhutto in december.
Toenemend geweld, onveiligheid en politieke onderdrukking, waaronder het aan banden leggen van de vrijheid van meningsuiting, kwamen ook elders in de regio veel voor.
Mensenrechtenactivisten en anderen die op vreedzame wijze opkwamen voor hun rechten stonden bloot aan allerlei vormen van geweld. De regio werd geplaagd door ontvoeringen en gedwongen verdwijningen, willekeurige detenties, marteling en mishandeling, wandaden die veelal onbestraft bleven.
In augustus braken in Myanmar grootschalige protesten uit tegen het sociaal-economische beleid van de regering. Ten minste 31 mensen, en waarschijnlijk meer dan honderd, werden gedood toen de autoriteiten de betogingen neersloegen, en een vergelijkbaar aantal mensen zou slachtoffer zijn geworden van gedwongen verdwijning. Ofschoon de internationale gemeenschap in eerste instantie ferm stelling nam, was de aandacht eind 2007 verslapt. Aan het eind van het jaar kwamen er nog steeds politieke gevangenen bij, ondanks toezeggingen van de regering aan de VN en haar claim dat het land zou terugkeren naar de ‘normale toestand’.
Het aanhoudende en escalerende conflict tussen regeringstroepen en de gewapende oppositiegroepering Tamil Tijgers in Sri Lanka ging nog altijd gepaard met gedwongen verdwijningen, onrechtmatige doodslag, willekeurige arrestaties en marteling. Beide kanten voerden gewapende aanvallen op burgers uit. Gedwongen verdwijningen leken onderdeel te vormen van een stelselmatige verzetsbestrijdingsstrategie door de regering, en werden veelal uitgevoerd door veiligheidstroepen of door gewapende groeperingen die het met hun goedkeuring deden. Honderdduizenden mensen waren ontheemd, met name in het noorden, naarmate het conflict voortduurde. De vrijheid van meningsuiting werd op meedogenloze wijze onderdrukt en journalisten, met name wanneer ze werkzaam waren voor Tamil-media, werden aangevallen, ontvoerd en vermoord. Ondanks overtuigende bewijzen stelden de autoriteiten geen onderzoeken in en werden de daders niet voor de rechter gebracht.
In Bangladesh beperkte een langdurige noodtoestand de vrijheid van meningsuiting en vergadering, en de wettelijk voorgeschreven rechtsgang. Honderdduizenden mensen zouden zijn gearresteerd toen noodtoestandswetgeving verregaande bevoegdheden verleende aan politie en justitie. Talloze mensenrechtenactivisten werden bedreigd, geïntimideerd en op oneerlijke wijze berecht. Wetshandhavers waren betrokken bij de dood van ruim honderd mensen in hechtenis, maar niemand werd ter verantwoording geroepen voor de sterfgevallen.
Doodstraf
Terwijl zich een wereldwijde trend richting afschaffing aftekent werden in Azië/Oceanië nog talloze doodstraffen opgelegd. In Afghanistan kregen vijftien mensen de kogel, de eerste terechtstellingen in drie jaar tijd. Tussen de zeventig en honderdtien mensen zaten nog in de dodencel. Pakistan nam wetgeving aan die het toepassingsgebied van de doodstraf verruimde, en in 2007 werden meer dan honderd mensen geëxecuteerd.
Geheimhouding omtrent de doodstraf blijft een groot probleem in veel landen in de regio Azië/Oceanië. Cijfers over de doodstraf in China werden beschouwd als staatsgeheim, en ondanks de welkome beslissing van het Opperste Volksgerechtshof om alle zaken in laatste instantie te herzien werd de doodstraf nog altijd op grote schaal toegepast. Ten minste 470 mensen zijn geëxecuteerd in 2007 – ofschoon het werkelijke aantal vermoedelijk veel hoger ligt.
De doodstraf wordt veelvuldig opgelegd in de regio, niet alleen voor moord, maar ook voor geweldloze misdrijven zoals drugsdelicten, corruptie en andere economische delicten. In Noord-Korea werden ook politieke gevangenen en verdachten van economische delicten geëxecuteerd, door ophanging of door een vuurpeloton.
Het Aziatische Netwerk tegen de Doodstraf (ADPAN) toonde zich bezorgd over het feit dat meer mensen in de regio ter dood veroordeeld werden wegens drugsdelicten dan voor enig ander misdrijf. In februari ging een groep Indonesische advocaten namens vijf mensen die ter dood veroordeeld waren wegens drugsdelicten in beroep tegen hun veroordelingen door aan te voeren dat de Indonesische Narcoticawet in strijd was met het in de Indonesische Grondwet vastgelegde “recht op leven”. Het beroep werd in oktober verworpen. In Vietnam werden ten minste 83 mensen ter dood veroordeeld wegens delicten die verband hielden met drugshandel.
Geweld tegen vrouwen
Seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes bleef aan de orde van de dag, mede doordat de vermeende daders, onder wie politieagenten en andere gezagsdragers, veelal vrijuit gingen. In veel landen hadden vrouwen de grootst mogelijke moeite om aangifte te doen van verkrachting. In Papoea-Nieuw-Guinea gold geweld tegen vrouwen als een belangrijke oorzaak voor de hiv/aids-epidemie, hetgeen schendingen tegen vrouwen verder aanwakkerde.
Ook huiselijk geweld en lichamelijke en psychologische mishandeling op de werkplek hielden aan. In China nam het aantal gevallen van huiselijk geweld in de eerste drie maanden van het jaar met 120 procent toe – een forse stijging die verband zou houden met het feit dat meer vrouwen bereid zijn aangifte te doen van mishandeling
In Pakistan wist de staat huiselijk en etnisch geweld, waaronder verminking, verkrachting en "eremoorden", niet te voorkomen en daders werden niet of nauwelijks vervolgd. Van januari tot oktober werden alleen al in de provincie Sindh 183 vrouwen vermoord omdat ze zogenaamd de familie-eer hadden bezoedeld. “Swara”, het uithuwelijken van een meisje of vrouw aan tegenstanders om een geschil bij te leggen, werd in 2005 bij wet strafbaar gesteld maar vond nog altijd straffeloos plaats.
In maart werd de Wet inzake uitbanning van criminele daden in verband met mensenhandel van kracht in Indonesië. Dit tot tevredenheid van lokale ngo’s, aangezien de wet een definitie van seksuele uitbuiting bevatte en voorzag in bescherming van slachtoffers. De handel in vrouwen en meisjes kwam echter nog veel voor in de regio.
In maart keurde het Taiwanese parlement verscheidene amendementen bij de Wet ter voorkoming van huiselijk geweld goed, waardoor ook samenwonende homo’s en lesbiennes en ongehuwde paren onder de wet vielen.
Over de hele wereld namen parlementen resoluties aan waarin werd aangedrongen op gerechtigheid voor de overlevenden van het Japanse systeem van militaire seksslavernij tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Japanse regering weigerde echter spijt te betuigen of schadevergoeding te verlenen aan duizenden “troostmeisjes” die gedwongen werden seksuele diensten te verlenen aan Japanse soldaten. In maart verklaarde de Japanse premier Abe Shinzo dat er geen bewijs was dat de “troostmeisjes” werden gedwongen te werken als seksslavinnen.
Mensenrechten vooruit helpen
Activisten, burgers en maatschappelijke organisaties in de hele regio sloegen steeds vaker de handen ineen tijdens protesten en acties waarin mensenrechtenvraagstukken aan de kaak werden gesteld. Bijvoorbeeld de grootschalige straffeloosheid inzake gedwongen verdwijningen, buitengerechtelijke moorden, marteling en de rechten van achtergestelde gemeenschappen.
In Papoea-Nieuw-Guinea werd de Coalitie tegen Gewapend Geweld opgericht omdat de regering niets deed om de verspreiding en het gebruik van illegale vuurwapens een halt toe te roepen. Vrouwelijke mensenrechtenactivisten roerden zich, en organiseerden in oktober een stille mars om aandacht te vragen voor geweld tegen vrouwen.
In Myanmar werd op vreedzame wijze geprotesteerd tegen stijgende brandstofprijzen, die de economische malaise verder versterkten. Monniken gaven de aanzet tot landelijke protesten tegen het economische beleid van de regering, en vormden een nieuwe beweging, de Alliantie van Monniken van Geheel Birma (ABMA).
Laos ratificeerde in februari het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten. De toetreding van Thailand in oktober tot het Verdrag tegen Foltering was het resultaat van jarenlang actievoeren door Thaise burgerbewegingen en anderen, en volgde kort nadat de Thaise regering in augustus het Statuut van het Internationaal Strafhof had ondertekend.
In India hebben ngo’s en burgerbewegingen een fel debat op gang gebracht over de kosten van globalisering en wat dit proces betekent voor de armen. De vraag is hoe landen in Azië/Oceanië ervoor kunnen zorgen dat ook de lagere sociale klassen en mensen in andere landen kunnen profiteren van de toenemende welvaart, die nu nog voorbehouden is aan een aantal uitverkorenen in een handvol landen.
Dit zal alleen mogelijk zijn wanneer mensenrechten centraal komen te staan in de regionale wetgeving, en wanneer retoriek wordt omgezet in daden.


