Home > De bibliotheek: Landeninformatie > Regionaal overzicht - Afrika
Duurzame oplossingen voor de conflicten in Afrika zijn vaak ver te zoeken |
REGIONAAL OVERZICHT - AFRIKA
Uit het Amnesty Jaarboek 2008
De Universele Verklaring - zestig jaar later
Een terugblik op 2007: algemeen
Economische, sociale en culturele rechten
Gewapende conflicten
Straffeloosheid
Doodstraf
Geweld tegen vrouwen en meisjes
Vluchtelingen, asielzoekers en migranten
"Oorlog tegen terrorisme"
Mensenrechtenactivisten en het onderdrukken van onwelgevallige meningen
Diverse gewapende conflicten die zich al jarenlang voortsleepten zijn opgelost, onder meer in Angola, Zuid-Sudan, Sierra Leone en Liberia. De consequenties ervan voor de mensenrechtensituatie zijn echter nog voelbaar, hetgeen de sociaal-economische ontwikkeling en het politieke klimaat nadelig beïnvloedt. De gewelddadige strijd om de macht, zelfs in landen die niet in een gewapend conflict verzeild raken, blijft een belangrijk aspect van het politieke leven in Afrika, ondanks de democratiseringsbeweging in veel landen.
Duurzame oplossingen voor de conflicten in Afrika zijn vaak ver te zoeken, ondanks de bijdrage van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en later de Afrikaanse Unie (AU) om conflicten te voorkomen en op te lossen. Er is een jammerlijk gebrek aan politieke wil om iets te doen aan de mensenrechtenschendingen die veelal ten grondslag liggen aan politieke spanningen en vijandelijkheden. De Raad voor Vrede en Veiligheid van de AU is er niet in geslaagd de mensenrechtendimensie van gewapende conflicten in Afrika aan te kaarten.
In de afgelopen decennia is het mensenrechtenkader in Afrika versterkt met verscheidene regionale mensenrechtenverdragen en -instanties. In 1986 werd het Afrikaans Handvest inzake de Rechten van Mens en Volken van kracht, en in 2007 vierde de Afrikaanse Commissie inzake de Rechten van Mens en Volken (Afrikaanse Commissie) haar twintigjarig bestaan. Ofschoon Afrikaanse mensenrechteninstanties flink aan de weg timmeren, met name door de oprichting van de Afrikaanse Rechtbank voor de Rechten van Mens en Volken, heeft de Afrikaanse Commissie nog altijd te maken met financiële en politieke obstakels. Door onvoldoende steun van de AU is de Afrikaanse Commissie veelal aangewezen op externe steun om personeel in dienst te nemen, terwijl weinig lidstaten interesse hebben om als gastheer op te treden voor haar vergaderingen.
In de afgelopen jaren hebben veel Afrikaanse staten geweigerd op constructieve wijze samen te werken met wereldwijde mensenrechteninstanties, zoals de onlangs opgerichte VN-Mensenrechtenraad. Vele lopen aan de leiband van een handvol staten die er alles aan doen het werk van deze instanties te ondermijnen. Er zijn echter noemenswaardige uitzonderingen, en sommige Afrikaanse staten vervullen een constructieve en soms ook moedige rol binnen de VN door op te komen voor slachtoffers van ernstige mensenrechtenschendingen.
Zuidelijk Afrika had nog altijd het hoogste percentage hiv/aids ter wereld. In Zuid-Afrika konden arme plattelandsbewoners, met name vrouwen, zich geen medische zorg veroorloven, en Amnesty International registreerde hoe het recht op gezondheid van vrouwen werd ondermijnd door de fysieke onbereikbaarheid van zorginstellingen, vervoerskosten, tekort aan medisch personeel, dagelijks gebrek aan voedsel en ongelijkheid tussen mannen en vrouwen.
In een aantal landen werden gezinnen uit hun huizen gezet om plaats te maken voor ontwikkelings- of urbanisatieprojecten. Vaak kregen mensen die onder dwang waren uitgezet van overheidswege geen schadevergoeding of alternatieve huisvesting aangeboden, waarmee het recht op onderdak en passende huisvesting van honderdduizenden mensen werd geschonden.
De conflicten in Somalië en in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) laaiden op in 2007. In januari stemde de AU in met de inzet van een vredesmacht voor Somalië (AMISOM), die echter geen expliciet mandaat kreeg om burgers te beschermen. Amper vijftienhonderd van de geplande achtduizend soldaten waren eind 2007 actief in Somalië.
In Darfur (Sudan), het oosten van Tsjaad en het noorden van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) stonden in het teken van conflicten en grootschalige onveiligheid. In Darfur staken steeds meer gewapende splintergroeperingen de kop op die betrokken waren bij het conflict, hetgeen de vooruitzichten op een politieke oplossing verder vertroebelde. In juli stemde de VN-Veiligheidsraad in met een hybride AU-VN-vredesmacht voor Darfur, bestaande uit 26.000 soldaten. De inzet van de vredesmacht liep echter vertraging op doordat de regering van Sudan dwars lag en VN-lidstaten niet het militaire materieel beschikbaar stelden dat vereist was om de soldaten doeltreffend in te zetten. In september gaf de VN-Veiligheidsraad toestemming voor een multinationale interventiemacht in Tsjaad en de CAR, die een Europese militaire operatie zou gaan ondersteunen. Eind 2007 waren deze troepen echter nog niet operationeel.
In het noorden van Niger braken gevechten uit tussen regeringstroepen en een gewapende oppositiegroepering onder leiding van Toeareg, hetgeen gepaard ging met mensenrechtenschendingen.
Er werden ook stappen gezet richting conflictoplossing: in maart werd een vredesakkoord getekend in Ivoorkust, en er waren onderhandelingen gaande om een einde te maken aan het conflict in het noorden van Uganda.
De verspreiding van kleine wapens bleef een groot probleem. Door de VN-Veiligheidsraad opgelegde wapenembargo’s werden veelvuldig overtreden of niet naar behoren gecontroleerd.
Amnestiewetten en -regelingen werden in Burundi en Ivoorkust respectievelijk overwogen en doorgevoerd voor misdrijven die begaan waren tijdens de burgeroorlogen, ofschoon regeringsleiders verzekerden dat geen amnestie zou worden verleend aan verantwoordelijken voor misdrijven onder internationaal recht. Er werd echter in geen van beide landen vooruitgang geboekt bij het opsporen en vervolgen van verantwoordelijken voor ernstige mensenrechtenschendingen tijdens de conflicten. Ook in Liberia boekte de Waarheids- en Verzoeningscommissie weinig vooruitgang.
Dankzij mechanismen van internationale rechtspleging werden verantwoordelijken voor misdrijven onder internationaal recht in sommige gevallen ter verantwoording geroepen.
In april vaardigde het Internationaal Strafhof (ICC) arrestatiebevelen uit tegen twee personen die betrokken waren bij het conflict in Darfur: Ali Kushayb, een Janjawid- militieleider, en Ahmad Muhammad Harun, de Sudanese minister voor Humanitaire Aangelegenheden. Beiden werden beschuldigd van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. De Sudanese regering weigerde het tweetal echter over te dragen aan het ICC.
In mei maakte de aanklager van het ICC bekend dat een onderzoek zou worden geopend in de CAR. Het ICC vaardigde in juli een arrestatiebevel uit tegen Germain Katanga wegens oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid die hij in 2003 zou hebben begaan in het district Ituri (DRC). De regering van de DRC droeg hem over aan het ICC. De leiders van het Verzetsleger van de Heer (LRA), onder wie Joseph Kony – door het ICC aangeklaagd in verband met schendingen in Uganda – bleef op vrije voeten.
Er liepen processen voor het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda (ICTR) terwijl het ICTR een begin maakte met zijn exitstrategie door voor te stellen zaken over te dragen aan nationale jurisdicties, onder meer in Rwanda.
De Speciale Rechtbank voor Sierra Leone veroordeelde in juli drie leden van de Revolutionaire Raad van de Strijdkrachten (AFRC) wegens oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Twee leden van de Civiele Verdedigingsmacht (CDF) werden eveneens schuldig bevonden aan oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Het proces tegen Charles Taylor, voormalig president van Liberia, werd uitgesteld en zou in 2008 van start gaan.
Er werd weinig vooruitgang geboekt in de zaak tegen Hissène Habré, ex-president van Tsjaad, nadat de Afrikaanse Unie in 2006 had verzocht hem in Senegal te berechten, op grond van universele jurisdictie, wegens misdrijven onder internationaal recht.
Rwanda schafte in juli de doodstraf af en de regering van Gabon kondigde in september aan hetzelfde te doen, mits het parlement hiermee zou instemmen. In oktober legde de regering van Mali een wetsvoorstel tot afschaffing van de doodstraf voor aan het parlement. In verscheidene landen werden doodvonnissen omgezet in levenslang, onder meer in de Republiek Congo, Ghana en Zambia.
Bij de stemming over een moratorium op het gebruik van de doodstraf tijdens de Algemene Vergadering van de VN in december stemden zeventien Afrikaanse staten vóór, en twintig Afrikaanse staten onthielden zich van stemming.
Terechtstellingen vonden echter plaats in Equatoriaal-Guinee, Ethiopië, Somalië en Sudan, en in Uganda gaven militaire rechtbanken opdracht voor de executie van soldaten. Uit onderzoek dat Amnesty International in 2007 verrichtte bleek dat het voorgaande jaar ten minste zeven executies hadden plaatsgevonden in Nigeria, ofschoon regeringsvertegenwoordigers officieel verklaarden dat in de afgelopen jaren geen doodvonnissen waren voltrokken.
In Kenia, dat in 2006 de Wet op de seksuele delicten aannam, Liberia, dat in 2006 een nieuwe wet inzake verkrachting goedkeurde, en Zuid-Afrika, waar de Wijzigingswet inzake strafvervolging bij seksuele delicten en verwante zaken in december werd aangenomen, werden talloze vrouwen en meisjes slachtoffer van geweld, waaronder verkrachting. In Nigeria verwierp het parlement een wetsvoorstel om het VN-Verdrag inzake Uitbanning van Alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen (CEDAW) ten uitvoer te leggen, 22 jaar nadat Nigeria het verdrag had geratificeerd. Verder werd een wetsvoorstel ter bestrijding van huiselijk geweld niet aangenomen op federaal niveau, ofschoon afzonderlijke deelstaten in Nigeria, waaronder Lagos, wel een vergelijkbare wet doorvoerden.
Bij diverse conflicten kwam seksueel geweld nog altijd veel voor, hetgeen levenslange sporen naliet onder vrouwen en meisjes, van wie velen geen toegang hadden tot adequate medische en psychologische zorg en geen beroep konden doen op mechanismen van rechtspleging. Daders van geweld tegen vrouwen, waaronder verkrachting, werden zelden ter verantwoording geroepen. In Ivoorkust, Sierra Leone, Burundi en Uganda bleek keer op keer dat vrouwen en meisjes die tijdens en na gewapende conflicten onderworpen zijn aan seksueel geweld niet schadeloos gesteld worden. Vaak worden deze vrouwen en meisjes gestigmatiseerd door de gemeenschap en worden ze verder achtergesteld.
In juli werden soldaten van een VN-vredesmacht in Ivoorkust beschuldigd van grootschalig seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes. De aantijgingen werden onderzocht door de VN en Marokko, aangezien troepen uit Marokko bij het geweld betrokken zouden zijn, maar de resultaten van deze onderzoeken waren eind 2007 nog niet bekendgemaakt.
In het oosten van Tsjaad werden vrouwen en meisjes die verdreven waren door het conflict verkracht of anderszins seksueel misbruikt wanneer ze zich buiten opvangkampen voor ontheemden begaven. Een soortgelijk patroon tekende zich af in Darfur, waar vrouwen en meisjes bloot stonden aan seksueel geweld wanneer ze buiten kampen brandhout sprokkelden en water haalden, of wanneer ze naar de markt gingen. Vaak deden de vrouwen geen aangifte omdat ze bang waren voor represailles.
Ook in de DRC kwamen verkrachting en andere vormen van seksueel geweld veel voor, met name in het oosten. Onder de daders bevonden zich soldaten en politieagenten, maar ook leden van de diverse strijdgroepen. Sommige gewapende groeperingen ontvoerden vrouwen en meisjes en gebruikten hen als seksslavinnen. Ook bij het conflict in Somalië vonden naar verluidt talloze verkrachtingen plaats, begaan door Ethiopische troepen, troepen van het federale overgangsbestuur en gewapende groeperingen.
In Malawi werden jongens en meisjes, sommigen amper tien jaar, tewerkgesteld op boerderijen. Mauritanië nam een wet aan om slavernij strafbaar te stellen, 26 jaar nadat slavernij officieel was afgeschaft; dit gebeurde toen bleek dat slavenarbeid nog steeds voorkwam.
Duizenden mensen weken uit naar Kenia om het gewapende conflict in Somalië te ontvluchten, maar in januari sloten de Keniase autoriteiten de grens met Somalië, in strijd met het internationaal vluchtelingenrecht. Daarnaast stuurde Kenia honderden asielzoekers onder dwang terug naar Somalië. Als gevolg van het gewapende conflict en het geweld in Darfur en de CAR namen tienduizenden mensen de wijk naar buurlanden. Velen kregen geen adequate humanitaire hulp.
Tanzania bleef vluchtelingen uit Rwanda, Burundi en DRC onder dwang terugsturen, en plakte hen het etiket illegale immigranten op, ofschoon velen de vluchtelingenstatus bezaten of hadden aangevraagd. De Ugandese autoriteiten beweerden dat de terugkeer van drieduizend Rwandese vluchtelingen en asielzoekers vrijwillig was, maar velen verklaarden dat ze onder dwang teruggestuurd waren naar Rwanda. Asielzoekers en vluchtelingen werden ook onder dwang teruggestuurd naar Eritrea vanuit Sudan en het Verenigd Koninkrijk, hetgeen in strijd is met de richtlijnen van de Hoge VN-Commissaris voor de Vluchtelingen.
De Angolese autoriteiten zetten duizenden Congolese migranten die in het noorden van Angola verbleven met geweld uit naar de DRC. Talloze vrouwen zouden tijdens de uitzetting zijn verkracht door Angolese soldaten.
Een aantal mensen, onder wie buitenlanders, werd in Mauritanië opgepakt op verdenking van banden met een splintergroepering binnen Al-Qaida. In juni en juli stonden veertien mensen terecht in Mauritanië. Ze werden ervan beschuldigd deel uit te maken van de Algerijnse Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat.
De Speciale VN-Rapporteur inzake Mensenrechten en Terrorismebestrijding toonde zich na zijn bezoek aan Zuid-Afrika bezorgd over de administratieve detentie van immigranten, dertig dagen of langer, zonder verplichte herziening, en over het feit dat de autoriteiten het beginsel van non-refoulement niet naleefden bij vermeende gevallen van terrorisme en bij andere immigratiezaken.
De bewegingsvrijheid van mensenrechtenactivisten bleef beperkt in veel landen, zoals Angola, Eritrea, Gambia en Rwanda. In sommige landen moesten mensenrechtenactivisten vrezen voor hun leven. Vaak ook werden ze geïntimideerd en lastiggevallen, gearresteerd en geschaduwd.
In Zimbabwe werden talloze vrouwelijke mensenrechtenactivisten gearresteerd tijdens vreedzame protesten. Velen van hen werden door de politie mishandeld terwijl ze in hechtenis zaten. In de DRC werd een mensenrechtenactiviste verkracht door een veiligheidsagent terwijl ze een werkbezoek bracht aan een detentiefaciliteit. De dochter van een andere activiste werd aangerand door soldaten.
In Sudan werden mensenrechtenactivisten gearresteerd en sommigen naar verluidt gemarteld door agenten van de nationale inlichtingen- en veiligheidsdienst. In Ethiopië werden twee vooraanstaande mensenrechtenactivisten in december ten onrechte schuldig bevonden en veroordeeld tot twee jaar en acht maanden gevangenisstraf. Een prominente mensenrechtenactivist werd vermoord in Somalië, en in de DRC werden mensenrechtenactivisten aangevallen en met de dood bedreigd, voornamelijk door regeringsfunctionarissen.
De bewegingsvrijheid van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender (LGBT-)activisten werd ernstig beperkt. In Kameroen, Nigeria, Zuid-Afrika en Uganda werden LGBT-activisten aangevallen door verscheidene groeperingen binnen de samenleving als reactie op hun strijd voor naleving van hun mensenrechten.
Politieke gevangenen en gewetensgevangenen werden gedetineerd in onder meer de Republiek Congo, Eritrea, Ethiopië, Equatoriaal-Guinee, Niger en de zelfuitgeroepen Republiek Somaliland.
Onafhankelijke media werden in een groot aantal landen sterk gedwarsboomd. Het recht op vrijheid van meningsuiting werd geschonden door onder meer wetgeving om media-activiteiten aan banden te leggen en willekeurige arrestaties van journalisten. In Somalië en de DRC werden journalisten vermoord vanwege hun werk.
Aan het begin van 2007 sloegen veiligheidstroepen in de Republiek Guinee met geweld betogingen neer die georganiseerd waren door vakbonden; honderden mensen werden daarbij gedood of raakten gewond. De regering kondigde de staat van beleg af en gaf het leger bevoegdheden die normaliter toebehoren aan de civiele autoriteiten. In Zimbabwe werden honderden mensenrechtenactivisten en oppositieleden gemolesteerd terwijl ze gebruik maakten van hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering.
In Nigeria werden verkiezingen in april ontsierd door ongeregeldheden en geweld. Kiezers, kandidaten en aanhangers werden bedreigd en aangevallen door tegenstanders of gewapende groeperingen die handelden in opdracht van politieke leiders. Politieagenten in Kenia doodden tientallen betogers na verkiezingen in december.
Een terugblik op 2007: algemeen
Economische, sociale en culturele rechten
Gewapende conflicten
Straffeloosheid
Doodstraf
Geweld tegen vrouwen en meisjes
Vluchtelingen, asielzoekers en migranten
"Oorlog tegen terrorisme"
Mensenrechtenactivisten en het onderdrukken van onwelgevallige meningen
De Universele Verklaring - zestig jaar later
In de zestig jaar die zijn verstreken sinds de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in 1948, is Afrika ingrijpend gewijzigd. De dekolonisering, en het einde van de apartheid in Zuid-Afrika (een tijdperk dat ook in 1948 begon), zijn gepaard gegaan met institutionele opbouw op nationaal niveau en meer eerbied voor de rechtsorde. Veel Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara hebben inmiddels actieve burgergemeenschappen en diverse onafhankelijke nieuwsmedia. Ofschoon wezenlijke vooruitgang is geboekt sinds de Universele Verklaring, zijn mensenrechten echter nog lang niet voor alle Afrikanen een verworvenheid.Diverse gewapende conflicten die zich al jarenlang voortsleepten zijn opgelost, onder meer in Angola, Zuid-Sudan, Sierra Leone en Liberia. De consequenties ervan voor de mensenrechtensituatie zijn echter nog voelbaar, hetgeen de sociaal-economische ontwikkeling en het politieke klimaat nadelig beïnvloedt. De gewelddadige strijd om de macht, zelfs in landen die niet in een gewapend conflict verzeild raken, blijft een belangrijk aspect van het politieke leven in Afrika, ondanks de democratiseringsbeweging in veel landen.
Duurzame oplossingen voor de conflicten in Afrika zijn vaak ver te zoeken, ondanks de bijdrage van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en later de Afrikaanse Unie (AU) om conflicten te voorkomen en op te lossen. Er is een jammerlijk gebrek aan politieke wil om iets te doen aan de mensenrechtenschendingen die veelal ten grondslag liggen aan politieke spanningen en vijandelijkheden. De Raad voor Vrede en Veiligheid van de AU is er niet in geslaagd de mensenrechtendimensie van gewapende conflicten in Afrika aan te kaarten.
In de afgelopen decennia is het mensenrechtenkader in Afrika versterkt met verscheidene regionale mensenrechtenverdragen en -instanties. In 1986 werd het Afrikaans Handvest inzake de Rechten van Mens en Volken van kracht, en in 2007 vierde de Afrikaanse Commissie inzake de Rechten van Mens en Volken (Afrikaanse Commissie) haar twintigjarig bestaan. Ofschoon Afrikaanse mensenrechteninstanties flink aan de weg timmeren, met name door de oprichting van de Afrikaanse Rechtbank voor de Rechten van Mens en Volken, heeft de Afrikaanse Commissie nog altijd te maken met financiële en politieke obstakels. Door onvoldoende steun van de AU is de Afrikaanse Commissie veelal aangewezen op externe steun om personeel in dienst te nemen, terwijl weinig lidstaten interesse hebben om als gastheer op te treden voor haar vergaderingen.
In de afgelopen jaren hebben veel Afrikaanse staten geweigerd op constructieve wijze samen te werken met wereldwijde mensenrechteninstanties, zoals de onlangs opgerichte VN-Mensenrechtenraad. Vele lopen aan de leiband van een handvol staten die er alles aan doen het werk van deze instanties te ondermijnen. Er zijn echter noemenswaardige uitzonderingen, en sommige Afrikaanse staten vervullen een constructieve en soms ook moedige rol binnen de VN door op te komen voor slachtoffers van ernstige mensenrechtenschendingen.
Een terugblik op 2007: algemeen
De rechten van talloze Afrikanen werden geschonden in 2007. Economische en sociale rechten bleven voor miljoenen mensen een illusie. De burgeroorlogen die in verscheidene staten dood en verderf zaaiden gingen gepaard met grove mensenrechtenschendingen, waaronder moordpartijen, marteling en mishandeling. In sommige landen werden onwelgevallige meningen, in welke vorm dan ook, de kop ingedrukt; in veel landen lag de vrijheid van meningsuiting aan banden en werden mensenrechtenactivisten geïntimideerd en lastiggevallen. Vrouwen werden op grote schaal gediscrimineerd en hun rechten werden stelselmatig geschonden. Op het hele continent ontsnapten verantwoordelijken voor mensenrechtenschendingen aan berechting.Economische, sociale en culturele rechten
Ofschoon de economische groei in veel Afrikaanse landen de afgelopen jaren toenam, hadden miljoenen mensen nog geen toegang tot adequate huisvesting, onderwijs of gezondheidszorg, nochtans de basisvereisten voor een waardig leven. Door politieke onrust, gewapende conflicten, corruptie, onderontwikkeling en tekortschietende investeringen in sociale basisvoorzieningen bleven mensen in heel Afrika verstoken van economische, sociale en culturele rechten.Zuidelijk Afrika had nog altijd het hoogste percentage hiv/aids ter wereld. In Zuid-Afrika konden arme plattelandsbewoners, met name vrouwen, zich geen medische zorg veroorloven, en Amnesty International registreerde hoe het recht op gezondheid van vrouwen werd ondermijnd door de fysieke onbereikbaarheid van zorginstellingen, vervoerskosten, tekort aan medisch personeel, dagelijks gebrek aan voedsel en ongelijkheid tussen mannen en vrouwen.
In een aantal landen werden gezinnen uit hun huizen gezet om plaats te maken voor ontwikkelings- of urbanisatieprojecten. Vaak kregen mensen die onder dwang waren uitgezet van overheidswege geen schadevergoeding of alternatieve huisvesting aangeboden, waarmee het recht op onderdak en passende huisvesting van honderdduizenden mensen werd geschonden.
Gewapende conflicten
Burgers gingen zwaar gebukt onder de aanhoudende gewapende conflicten, die gepaard gingen met grove mensenrechtenschendingen, waaronder moordpartijen, seksueel geweld en het inlijven van kindsoldaten. Grote aantallen mensen werden van huis en haard verdreven en overleden als gevolg van honger en ziekte.De conflicten in Somalië en in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) laaiden op in 2007. In januari stemde de AU in met de inzet van een vredesmacht voor Somalië (AMISOM), die echter geen expliciet mandaat kreeg om burgers te beschermen. Amper vijftienhonderd van de geplande achtduizend soldaten waren eind 2007 actief in Somalië.
In Darfur (Sudan), het oosten van Tsjaad en het noorden van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) stonden in het teken van conflicten en grootschalige onveiligheid. In Darfur staken steeds meer gewapende splintergroeperingen de kop op die betrokken waren bij het conflict, hetgeen de vooruitzichten op een politieke oplossing verder vertroebelde. In juli stemde de VN-Veiligheidsraad in met een hybride AU-VN-vredesmacht voor Darfur, bestaande uit 26.000 soldaten. De inzet van de vredesmacht liep echter vertraging op doordat de regering van Sudan dwars lag en VN-lidstaten niet het militaire materieel beschikbaar stelden dat vereist was om de soldaten doeltreffend in te zetten. In september gaf de VN-Veiligheidsraad toestemming voor een multinationale interventiemacht in Tsjaad en de CAR, die een Europese militaire operatie zou gaan ondersteunen. Eind 2007 waren deze troepen echter nog niet operationeel.
In het noorden van Niger braken gevechten uit tussen regeringstroepen en een gewapende oppositiegroepering onder leiding van Toeareg, hetgeen gepaard ging met mensenrechtenschendingen.
Er werden ook stappen gezet richting conflictoplossing: in maart werd een vredesakkoord getekend in Ivoorkust, en er waren onderhandelingen gaande om een einde te maken aan het conflict in het noorden van Uganda.
De verspreiding van kleine wapens bleef een groot probleem. Door de VN-Veiligheidsraad opgelegde wapenembargo’s werden veelvuldig overtreden of niet naar behoren gecontroleerd.
Straffeloosheid
Politieagenten en andere wetshandhavers werden zelden ter verantwoording geroepen voor ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder willekeurige arrestaties en detentie, mishandeling en marteling. Deze straffeloosheid was aan de orde van de dag in talloze landen, waaronder Angola, Burundi, Equatoriaal-Guinea, Eritrea, Mozambique en Zimbabwe. Wetshandhavers gebruikten veelvuldig buitensporig geweld in onder meer Benin, de Republiek Guinee, Kenia, Mauritanië, Nigeria, Sudan en Zimbabwe. Incidenten waarbij buitensporig geweld was gebruikt werden vaak niet onderzocht, zelfs wanneer mensen om het leven waren gekomen.Amnestiewetten en -regelingen werden in Burundi en Ivoorkust respectievelijk overwogen en doorgevoerd voor misdrijven die begaan waren tijdens de burgeroorlogen, ofschoon regeringsleiders verzekerden dat geen amnestie zou worden verleend aan verantwoordelijken voor misdrijven onder internationaal recht. Er werd echter in geen van beide landen vooruitgang geboekt bij het opsporen en vervolgen van verantwoordelijken voor ernstige mensenrechtenschendingen tijdens de conflicten. Ook in Liberia boekte de Waarheids- en Verzoeningscommissie weinig vooruitgang.
Dankzij mechanismen van internationale rechtspleging werden verantwoordelijken voor misdrijven onder internationaal recht in sommige gevallen ter verantwoording geroepen.
In april vaardigde het Internationaal Strafhof (ICC) arrestatiebevelen uit tegen twee personen die betrokken waren bij het conflict in Darfur: Ali Kushayb, een Janjawid- militieleider, en Ahmad Muhammad Harun, de Sudanese minister voor Humanitaire Aangelegenheden. Beiden werden beschuldigd van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. De Sudanese regering weigerde het tweetal echter over te dragen aan het ICC.
In mei maakte de aanklager van het ICC bekend dat een onderzoek zou worden geopend in de CAR. Het ICC vaardigde in juli een arrestatiebevel uit tegen Germain Katanga wegens oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid die hij in 2003 zou hebben begaan in het district Ituri (DRC). De regering van de DRC droeg hem over aan het ICC. De leiders van het Verzetsleger van de Heer (LRA), onder wie Joseph Kony – door het ICC aangeklaagd in verband met schendingen in Uganda – bleef op vrije voeten.
Er liepen processen voor het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda (ICTR) terwijl het ICTR een begin maakte met zijn exitstrategie door voor te stellen zaken over te dragen aan nationale jurisdicties, onder meer in Rwanda.
De Speciale Rechtbank voor Sierra Leone veroordeelde in juli drie leden van de Revolutionaire Raad van de Strijdkrachten (AFRC) wegens oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Twee leden van de Civiele Verdedigingsmacht (CDF) werden eveneens schuldig bevonden aan oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Het proces tegen Charles Taylor, voormalig president van Liberia, werd uitgesteld en zou in 2008 van start gaan.
Er werd weinig vooruitgang geboekt in de zaak tegen Hissène Habré, ex-president van Tsjaad, nadat de Afrikaanse Unie in 2006 had verzocht hem in Senegal te berechten, op grond van universele jurisdictie, wegens misdrijven onder internationaal recht.
Doodstraf
Op het gebied van de doodstraf was er een aantal positieve ontwikkelingen in 2007, waarmee werd bevestigd dat in steeds meer Afrikaanse staten de doodstraf in de praktijk of bij wet wordt afgeschaft. Ofschoon in verscheidene landen nog doodvonnissen werden opgelegd, werden weinig mensen daadwerkelijk terechtgesteld.Rwanda schafte in juli de doodstraf af en de regering van Gabon kondigde in september aan hetzelfde te doen, mits het parlement hiermee zou instemmen. In oktober legde de regering van Mali een wetsvoorstel tot afschaffing van de doodstraf voor aan het parlement. In verscheidene landen werden doodvonnissen omgezet in levenslang, onder meer in de Republiek Congo, Ghana en Zambia.
Bij de stemming over een moratorium op het gebruik van de doodstraf tijdens de Algemene Vergadering van de VN in december stemden zeventien Afrikaanse staten vóór, en twintig Afrikaanse staten onthielden zich van stemming.
Terechtstellingen vonden echter plaats in Equatoriaal-Guinee, Ethiopië, Somalië en Sudan, en in Uganda gaven militaire rechtbanken opdracht voor de executie van soldaten. Uit onderzoek dat Amnesty International in 2007 verrichtte bleek dat het voorgaande jaar ten minste zeven executies hadden plaatsgevonden in Nigeria, ofschoon regeringsvertegenwoordigers officieel verklaarden dat in de afgelopen jaren geen doodvonnissen waren voltrokken.
Geweld tegen vrouwen en meisjes
Geweld tegen vrouwen bleef grotendeels onbestraft, ofschoon sommige landen hun wetgeving op dit punt aanscherpten. Ghana en Sierra Leone keurden wetsvoorstellen inzake huiselijk geweld goed, maar in Sierra Leone werd een wetsontwerp inzake kinderrechten pas aangenomen na het schrappen van bepalingen die meisjesbesnijdenis strafbaar stelden.In Kenia, dat in 2006 de Wet op de seksuele delicten aannam, Liberia, dat in 2006 een nieuwe wet inzake verkrachting goedkeurde, en Zuid-Afrika, waar de Wijzigingswet inzake strafvervolging bij seksuele delicten en verwante zaken in december werd aangenomen, werden talloze vrouwen en meisjes slachtoffer van geweld, waaronder verkrachting. In Nigeria verwierp het parlement een wetsvoorstel om het VN-Verdrag inzake Uitbanning van Alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen (CEDAW) ten uitvoer te leggen, 22 jaar nadat Nigeria het verdrag had geratificeerd. Verder werd een wetsvoorstel ter bestrijding van huiselijk geweld niet aangenomen op federaal niveau, ofschoon afzonderlijke deelstaten in Nigeria, waaronder Lagos, wel een vergelijkbare wet doorvoerden.
Bij diverse conflicten kwam seksueel geweld nog altijd veel voor, hetgeen levenslange sporen naliet onder vrouwen en meisjes, van wie velen geen toegang hadden tot adequate medische en psychologische zorg en geen beroep konden doen op mechanismen van rechtspleging. Daders van geweld tegen vrouwen, waaronder verkrachting, werden zelden ter verantwoording geroepen. In Ivoorkust, Sierra Leone, Burundi en Uganda bleek keer op keer dat vrouwen en meisjes die tijdens en na gewapende conflicten onderworpen zijn aan seksueel geweld niet schadeloos gesteld worden. Vaak worden deze vrouwen en meisjes gestigmatiseerd door de gemeenschap en worden ze verder achtergesteld.
In juli werden soldaten van een VN-vredesmacht in Ivoorkust beschuldigd van grootschalig seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes. De aantijgingen werden onderzocht door de VN en Marokko, aangezien troepen uit Marokko bij het geweld betrokken zouden zijn, maar de resultaten van deze onderzoeken waren eind 2007 nog niet bekendgemaakt.
In het oosten van Tsjaad werden vrouwen en meisjes die verdreven waren door het conflict verkracht of anderszins seksueel misbruikt wanneer ze zich buiten opvangkampen voor ontheemden begaven. Een soortgelijk patroon tekende zich af in Darfur, waar vrouwen en meisjes bloot stonden aan seksueel geweld wanneer ze buiten kampen brandhout sprokkelden en water haalden, of wanneer ze naar de markt gingen. Vaak deden de vrouwen geen aangifte omdat ze bang waren voor represailles.
Ook in de DRC kwamen verkrachting en andere vormen van seksueel geweld veel voor, met name in het oosten. Onder de daders bevonden zich soldaten en politieagenten, maar ook leden van de diverse strijdgroepen. Sommige gewapende groeperingen ontvoerden vrouwen en meisjes en gebruikten hen als seksslavinnen. Ook bij het conflict in Somalië vonden naar verluidt talloze verkrachtingen plaats, begaan door Ethiopische troepen, troepen van het federale overgangsbestuur en gewapende groeperingen.
In Malawi werden jongens en meisjes, sommigen amper tien jaar, tewerkgesteld op boerderijen. Mauritanië nam een wet aan om slavernij strafbaar te stellen, 26 jaar nadat slavernij officieel was afgeschaft; dit gebeurde toen bleek dat slavenarbeid nog steeds voorkwam.
Vluchtelingen, asielzoekers en migranten
Honderdduizenden mensen in Afrika ontvluchtten hun land om elders een veilig heenkomen of een fatsoenlijke levensstandaard te zoeken, vaak met gevaar voor eigen leven.Duizenden mensen weken uit naar Kenia om het gewapende conflict in Somalië te ontvluchten, maar in januari sloten de Keniase autoriteiten de grens met Somalië, in strijd met het internationaal vluchtelingenrecht. Daarnaast stuurde Kenia honderden asielzoekers onder dwang terug naar Somalië. Als gevolg van het gewapende conflict en het geweld in Darfur en de CAR namen tienduizenden mensen de wijk naar buurlanden. Velen kregen geen adequate humanitaire hulp.
Tanzania bleef vluchtelingen uit Rwanda, Burundi en DRC onder dwang terugsturen, en plakte hen het etiket illegale immigranten op, ofschoon velen de vluchtelingenstatus bezaten of hadden aangevraagd. De Ugandese autoriteiten beweerden dat de terugkeer van drieduizend Rwandese vluchtelingen en asielzoekers vrijwillig was, maar velen verklaarden dat ze onder dwang teruggestuurd waren naar Rwanda. Asielzoekers en vluchtelingen werden ook onder dwang teruggestuurd naar Eritrea vanuit Sudan en het Verenigd Koninkrijk, hetgeen in strijd is met de richtlijnen van de Hoge VN-Commissaris voor de Vluchtelingen.
De Angolese autoriteiten zetten duizenden Congolese migranten die in het noorden van Angola verbleven met geweld uit naar de DRC. Talloze vrouwen zouden tijdens de uitzetting zijn verkracht door Angolese soldaten.
"Oorlog tegen terrorisme"
De gevolgen van de door de VS geleide "oorlog tegen terrorisme" werden steeds duidelijker in de Hoorn van Afrika en andere delen van Afrika. In januari werden ten minste 140 Somaliërs die naar Kenia vluchtten opgepakt door de Keniase autoriteiten. Ruim tachtig van deze gedetineerden, die zonder aanklacht of proces in incommunicado-detentie werden gehouden op verdenking van banden met de Raad van Somalische Islamitische Rechtbanken, of in sommige gevallen met Al-Qaida, werden onrechtmatig overgebracht naar Somalië en vervolgens naar Ethiopië. Meer dan veertig vluchtelingen zaten eind 2007 nog in incommunicado-detentie op geheime plaatsen in Ethiopië.Een aantal mensen, onder wie buitenlanders, werd in Mauritanië opgepakt op verdenking van banden met een splintergroepering binnen Al-Qaida. In juni en juli stonden veertien mensen terecht in Mauritanië. Ze werden ervan beschuldigd deel uit te maken van de Algerijnse Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat.
De Speciale VN-Rapporteur inzake Mensenrechten en Terrorismebestrijding toonde zich na zijn bezoek aan Zuid-Afrika bezorgd over de administratieve detentie van immigranten, dertig dagen of langer, zonder verplichte herziening, en over het feit dat de autoriteiten het beginsel van non-refoulement niet naleefden bij vermeende gevallen van terrorisme en bij andere immigratiezaken.
Mensenrechtenactivisten en het onderdrukken van onwelgevallige meningen
In talloze Afrikaanse landen bleef het gevaarlijk om kritische of onafhankelijke meningen te verkondigen. Politieke oppositiegroeperingen, mensenrechtenactivisten, onafhankelijke journalisten en maatschappelijke organisaties werden onderdrukt door de staat.De bewegingsvrijheid van mensenrechtenactivisten bleef beperkt in veel landen, zoals Angola, Eritrea, Gambia en Rwanda. In sommige landen moesten mensenrechtenactivisten vrezen voor hun leven. Vaak ook werden ze geïntimideerd en lastiggevallen, gearresteerd en geschaduwd.
In Zimbabwe werden talloze vrouwelijke mensenrechtenactivisten gearresteerd tijdens vreedzame protesten. Velen van hen werden door de politie mishandeld terwijl ze in hechtenis zaten. In de DRC werd een mensenrechtenactiviste verkracht door een veiligheidsagent terwijl ze een werkbezoek bracht aan een detentiefaciliteit. De dochter van een andere activiste werd aangerand door soldaten.
In Sudan werden mensenrechtenactivisten gearresteerd en sommigen naar verluidt gemarteld door agenten van de nationale inlichtingen- en veiligheidsdienst. In Ethiopië werden twee vooraanstaande mensenrechtenactivisten in december ten onrechte schuldig bevonden en veroordeeld tot twee jaar en acht maanden gevangenisstraf. Een prominente mensenrechtenactivist werd vermoord in Somalië, en in de DRC werden mensenrechtenactivisten aangevallen en met de dood bedreigd, voornamelijk door regeringsfunctionarissen.
De bewegingsvrijheid van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender (LGBT-)activisten werd ernstig beperkt. In Kameroen, Nigeria, Zuid-Afrika en Uganda werden LGBT-activisten aangevallen door verscheidene groeperingen binnen de samenleving als reactie op hun strijd voor naleving van hun mensenrechten.
Politieke gevangenen en gewetensgevangenen werden gedetineerd in onder meer de Republiek Congo, Eritrea, Ethiopië, Equatoriaal-Guinee, Niger en de zelfuitgeroepen Republiek Somaliland.
Onafhankelijke media werden in een groot aantal landen sterk gedwarsboomd. Het recht op vrijheid van meningsuiting werd geschonden door onder meer wetgeving om media-activiteiten aan banden te leggen en willekeurige arrestaties van journalisten. In Somalië en de DRC werden journalisten vermoord vanwege hun werk.
Aan het begin van 2007 sloegen veiligheidstroepen in de Republiek Guinee met geweld betogingen neer die georganiseerd waren door vakbonden; honderden mensen werden daarbij gedood of raakten gewond. De regering kondigde de staat van beleg af en gaf het leger bevoegdheden die normaliter toebehoren aan de civiele autoriteiten. In Zimbabwe werden honderden mensenrechtenactivisten en oppositieleden gemolesteerd terwijl ze gebruik maakten van hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering.
In Nigeria werden verkiezingen in april ontsierd door ongeregeldheden en geweld. Kiezers, kandidaten en aanhangers werden bedreigd en aangevallen door tegenstanders of gewapende groeperingen die handelden in opdracht van politieke leiders. Politieagenten in Kenia doodden tientallen betogers na verkiezingen in december.


